De werking van het Brussels Waarborgfonds

De Raad van Bestuur

 

Het Brussels Waarborgfonds wordt beheerd door een Raad van Bestuur, samengesteld uit een voorzitter, een vice-voorzitter en leden die beroepsfederaties en kredietinstellingen vertegenwoordigen. Twee Regeringscommissarissen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wonen de vergaderingen bij.

De Raad van Bestuur van het Brussels Waarborgfonds vergadert om de twee weken.

Het Beheerscontract

 

Het beheer van de activiteiten van het Brussels Waarborgfonds wordt sinds 1 juli 2008 verzekerd door de Gewestelijke Investeringsmaatschappij voor Brussel (G.I.M.B.) voor de taken toevertrouwd aan de front-office (behandeling van de aanvragen, mededeling, …) en het Participatiefonds voor de taken toevertrouwd aan de back-office (beheer van de waarborgen, de geschillen, informatica,…).

Het reglement van toepassing

 

Het Brussels Waarborgfonds is geregeld bij besluit door de Ordonnantie van 22 april 1999 (M.B., 14.10.1999) en het Besluit van de Regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 20 juni 2013 ( M.B., 02.07.2013) dat van toepassing is sinds 1 juli 2013. 

Basisprincipes

 

De Waarborg is steeds aanvullend, in die zin dat de kredietinstelling er slechts beroep op kan doen na uitputting van alle andere toegekende zekerheidsrechten (zakelijke of persoonlijke).
De Waarborg heeft slechts betrekking op de hoofdsom, met uitsluiting van intresten, vergoedingen van elke aard. De Waarborg vermindert automatisch, gelijktijdig en evenredig met elke terugbetaling van een deel van het kapitaal door de begunstigde.
De Waarborg veronderstelt steeds dat de kredietinstelling een deel van het risico draagt dat voortvloeit uit het toegekende krediet.

Naleving van enkele voorschriften

De betrokken kredietinstellingen zijn deze onderworpen aan de controle van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten (F.S.M.A.), t.t.z. een financiële instelling van Belgisch recht waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het uitoefenen van één of meerdere activiteiten opgenomen in de punten 2, 3 en 6 van de lijst hernomen in paragraaf 2 van het artikel 3 van de wet van 22 maart 1993 met betrekking tot het statuut en de controle van de kredietinstellingen.

De tussenkomst van het Fonds is onderhevig aan de strikte naleving door de Aanvrager, van alle wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn voor de uitoefening van zijn beroep en/of de activiteit waarvoor de tussenkomst wordt gevraagd.